DE
CAPSULAIRE BESCHAVING
De stad in het tijdperk van het transcendentaal kapitalisme
In
Los Angeles wordt al jaren vooruitgelopen op (....)
de capsulaire beschaving waar diverse experimenten met
overkapte biotopen in Amerikaanse woestijnen op hebben gespeculeerd.
René Boomkens I
...
far from being a 'natural' system, as some apologists have tried to argue,
historical capitalism is a patently absurd one
Immanuel Wallerstein
Het
kapitalisme is vandaag de dag zo alomtegenwoordig dat het onzichtbaar
wordt. Het is als water voor de vissen . Het feit dat het woord kapitalisme
uit het publieke vertoog is verdwenen - wie het nog gebruikt laadt al
snel een odium op zich, het is als een publiek geheim en dus een taboe
- is niet alleen het zoveelste voorbeeld van een eufemisme-politiek ('vrije
markt-economie' klinkt zoveel aantrekkelijker), maar wijst ook op een
nieuwe fase in de ontwikkeling. Het kapitalisme van de New World Order
is geen laat-kapitalisme (er is niets laattijdigs aan), maar een transcendentaal
kapitalisme. Transcendentaal betekent hier: zonder tegenterm, allesomvattende
mogelijkheids-voorwaarde, zowel naar betekenis als naar omvang het meest
centrale begrip. Zonder tegenterm: er lijkt geen alternatief voor het
kapitalisme. Geen reëel alternatief, zelfs geen denkbaar, hooguit
een bijgestuurd kapitalisme is nog denkbaar. Maar juist een sociaal gecorrigeerd
kapitalisme wordt door de mondialisering van het kapitaal uitgehold en
afgebouwd . Allesomvattende mogelijkheidsvoorwaarde: men kan onze wereld
niet meer begrijpen zonder te vertrekken van het kapitalisme. Niets is
nog denkbaar zonder inbreng van kapitaal, niet eens cultuur. En daarom
is het naar omvang en naar inhoud uiteindelijk het meest centrale begrip
van onze wereld. Maar het transcendentale van het kapitalisme is ook altijd
tegelijk schijn. De transcendentale schijn van het kapitalisme is, zoals
van elk systeem, dat het natuurlijk, onvermijdelijk, noodzakelijk en oneindig
is. Die schijn is, zeg maar sinds de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting
van het Oostblok, verhard tot tweede natuur. Nochtans is en blijft het
kapitalisme een historisch systeem, dat omstreeks 1500 ontstond (vroegkapitalisme),
in de negentiende eeuw zijn klassieke industriele vorm kreeg (hoogkapitalisme)
en in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn volledige ontplooiing
vond. Het kan als volgt worden gedefinieerd: (a) het is een maatschappelijk
systeem waarvan de inzet en de drijfveer de accumulatie van kapitaal is,
een oneindige accumulatie als doel op zich; (b) er is een relatie van
dominantie tussen een centrum en een periferie en (c) die dominantie is
nu eens oorzaak, dan weer gevolg, en vaak beide tegelijk, van een ongelijke
ruil die de 'winst', en dus de accumulatie, mogelijk maakt . Uit die binaire
structuur van het kapitalisme volgt dat er nooit een 'global village'
zal zijn. Altijd zal er een centrum en een periferie zijn, een binnen
en een buiten. Op het moment dat de asymmetrie te klein wordt, moet de
periferie verlegd worden (dat heet 'delocatie' aan productiezijde, of
het 'ontginnen van nieuwe markten' aan distributiezijde). Op het moment
echter dat de asymmetrie te groot wordt, kan het systeem wankelen. De
erupties en sociale revolte uit het verleden bewijzen dat. Maar het transcendentaal
kapitalisme schijnt metastabiel te zijn geworden: het wankelt niet meer,
het is crisisrestistent. Het eerste gevolg van te grote ongelijkheid is
een ruimtelijke ordening gericht op defensie van het binnen tegenover
het buiten.
II
... the petrochemical age is basically anti-urban
Richard
Plunz
Het kapitalisme heeft de metropool voortgebracht, als machts-, handels-,
productie- en distributiecentrum. Hoewel het geroep over het einde van
de stad niet uit de lucht lijkt, is de metropool, gezien vanuit het oogpunt
van een geschiedschrijving van de lange duur, erg jong. Rond het begin
van de negentiende eeuw waren Parijs en Londen nog kleine steden. New
York bestond nog niet. Los Angeles lag niet eens op de kaart. De geschiedenis
van de moderne metropool zou men kunnen indelen in drie tijdperken: het
stoomtijdperk, het petrochemisch tijdperk en het micro-elektronisch tijdperk
(of emblematisch: de trein, de auto en het web). In het stoomtijdperk
werd de stad grootstad. De eerste industriële revolutie maakt van
Parijs en Londen metropolen. Omstreeks de jaren dertig doet zich volgens
de urbanist Richard Plunz, een verschuiving voor in Amerika: terwijl tot
dan toe het grootste deel van de bevolking in de steden woonde, werd nu
een intensieve suburbanisering op gang gebracht. Volgens hem was de consumptiemaatschappij
niet mogelijk zonder suburbanisering en desurbanisatie . "Iedereen
zijn eigen auto" (de slogan van Henry Ford) heeft weinig slagkracht
voor een stedelijke bevolking. De tegelijk massale en geïndividualiseerde
consumptie vooronderstelde een bewuste desurbanisatie (het huis als comfortsmachine,
de Mall als drive in distributie). Plunz spreekt van een complot tegen
de stad. Een analoge suburbanisatie heeft zich voorgedaan in Europa, zij
het minder extreem. Men kan echter niet ontkennen dat ook hier de oude
metropolen op een zeer concrete manier veranderen. In zijn overgang van
het industriële naar het postindustriële, van het petrochemische
naar het micro-elektronische tijdperk, wordt het (historische) centrum
ofwel achtergelaten (als een restzone voor migranten en bohémiens)
ofwel heruitgevonden voor dagsjesmensen, want ook de stedelingen worden
toerist in eigen stad . Er zijn twee basismodellen: disneyficatie van
het centrum met bronxificatie van de periferie (Parijs als voorbeeld),
implosie van het centrum met uitspreiding van oneindige suburbs (L.A.
als model). Elke stad wordt in zijn moeizame overgang naar het postindustriële
tijdperk met beide keuzes tegelijk geconfronteerd. Het zijn niet eens
keuzes maar vaak resultaten van het gebrek daaraan. Beide zijn misschien
zelfs zijden van dezelfde medaille: beide berusten op afgeslotenheid.
Zowel de toeristenzone als de achterbuurt kunnen, voorbij een bepaalde
drempel, "no go areas" worden voor de meeste stadsbewoners.
Het micro-electronische tijdperk zal de sub- en desurbanisatie die in
het vorig tijdperk begon voltooien. Men kan overal wonen, als men maar
aangesloten is op de netwerken. Zo ontstaat de a-geografische stad . De
eindtoestand van de bewoonde wereld is een post-urbane zone. En dat geldt
niet alleen voor Amerika en Zuid-Oost-Azië, maar het is wellicht
ook de toekomst van Europa. De Benelux bijvoorbeeld is vanuit dit perspectief
op weg om een post-urbane zone te worden, met pretparkachtige historische
centra als overblijfselen van een vroeger tijdperk die functioneren als
toeristische pleisterplekken in een generisch netwerk van verspreide bebouwing,
snelwegen en glasvezelkabels. De nieuwe constellatie heet Cyburbia, de
generische stad.
III
Het 'eigene' van het transcendentaal kapitalisme is het 'generische'.
Dit betekent dat elk product (van een Colaflesje tot een restaurant of
een gebouw) zelf geen individu is, maar een instantie van een corporate
identity, van zijn merk, van zijn soort. Het is daarom niet 'specifiek',
maar 'generisch', letterlijk: soortelijk. Volgens Sorkin, die de term
generic urbanism bedacht , en Koolhaas, die met de nog treffender term
generic city op de proppen kwam, is ook de stad soortelijk aan het worden,
"zoals luchthavens overal dezelfde": zonder identiteit, zonder
centrum, zonder geschiedenis . Koolhaas probeert, op de hem eigen half
ironische, half cynische wijze, de bevrijdende mogelijkheden van die stad
te zien. Het gaat echter om een netwerk-stad, een technologische stad
en vooral om een stad die door en door geregeerd wordt door de logica
van het kapitalisme. Of om het nog sterker uit te drukken: zonder het
kapitalisme is het generische onbegrijpelijk. Het is geproduceerd door
de esthetiek van de multuinationale ketens. De generische stad is de stad
in het tijdperk van het transcendentaal kapitalisme. Global capitalism,
corporate identity. De onstuitbare optocht van de ketens (winkelketens,
hotelketens, fastfoodketens, restaurantketens, etc.) - dat is het generische.
De macdonaldisering, de 'Hilton-cultuur'. In zijn overgang van de industrieële
naar de postindustriële fase ziet de stad zichzelf genoodzaakt zichzelf
opnieuw te ensceneren, via geschiedenis, cultuur, couleur locale, toerisme.
De vele projecten ontwikkeld voor waterfronts in steden, zijn symptomatisch
voor die overgang. De generische stad is (daarover zijn Koolhaas en Sorkin
het eens) een stad van simulaties: er wordt geschiedenis geenscenereed
in heruitgevonden historische buurten. De dedramatisering van de ruimte
in de post-urbane zone, door middel van urban sprawl en willekeurige,
indifferente juxtapositie van snelwegen, behuizing en commerciële
'noodarchitectuur', en de hertheatralisering van stedelijke plekken in
historische centra, horen samen. Maar daarnaast wordt er, vooral voor
kantoorgebouwen en dergelijke, ook nog steeds (post)moderniteit gereproduceerd
in serie. De stad als pretpark produceert zowel generische geschiedenis
als generische moderniteit.
IV
The in transit condition is becoming univeral.
Rem
Koolhaas
Travel light, Travel Hugo...Life's a yourney
(slogan
voor een jongerenparfum van Hugo Boss)
Het generische belichaamt de fantasmagorie van gewichtloosheid en beweeglijkheid
in de artificiële paradijzen van de consumptie, waarin mensen een
personal identity sampelen op basis van corporate material. Het is de
fata morgana van het universele toerisme, de eeuwigdurende transit van
hot spot naar hot spot. Alles verloopt naadloos en smooth door de ideologische
gladheid van de sampling, het anything goes, de cool look van design en
lifestyle magazines. Dat is het binnenaanzicht van ons maatschappelijk
systeem: het warenfetisjisme (van Marx tot Benjamin en Adorno), de spektakelmaatschappij
(Debord), de hyperrealiteit (Baudrillard), etc. Maar meer en meer dringt
zich ook een blik van buitenaf op. Naast stijgende mobiliteit en consumptie
is er het feit dat de wereld ook in stijgende mate duaal wordt. Is er
een causaal verband tussen beide? Is de stijgende consumptie alleen vol
te houden door een deel van de wereldbevolking af te stoten? In het zog
van de neoliberale terugplooibeweging en van de afschaffing van de welvaartstaat
wordt de tweedeling tussen rijk en arm, binnen en buiten strakker. De
tweede, derde en vierde wereld moeten meer en meer op hardhandige wijze
buiten de eerste wereld worden gehouden. Er is geen mobiliteitsmaatschappij
denkbaar zonder alomtegen-woordige controle. Terwijl de disciplinaire
maatschappij werkte op basis van interiorisering, werkt de controle maatschappij
extern: via militarisering van de stedelijke ruimte . Maar de technologische
apparaten, met hun zachte, bijna onzichtbare drempels volstaan niet. Het
tegelijk archaïsche en hypermoderne 'oerfeit' van de architectuur
en het urbanisme van de eenentwintigste eeuw zal de omheining zijn, de
muur, de afsluiting, de gate, de fence, de burcht. Omdat een scheiding
tussen de werelden nooit werkt, en de bevolkingen van de tweede, derde
en vierde wereld uitzwermen en intussen overal zijn, is de eerste wereld
geen homogeen imperium meer met relatief homogene steden, maar een archipel
van burchten . Transport wordt meer en meer de transit tussen gecontroleerde
en gesloten zones. Daarom is de generische stad vooral geobsedeerd door
afscherming, veiligheid en controle . Men kan terecht spreken van "de
cellulaire stad", en zelfs van "de capsulaire beschaving".
V
The capsule is cyborg architecture. Man, machine and space build a new
organic body which transcends confrontation. (...) it creates an environment
an itself. (...) A device which has become a living space in itself in
the sense that man cannot hope to live elsewhere, is a capsule. And signs
of such development are beginning to appear around us.
Kisho
Kurokawa, 1969
Capsule architecture is de architectuur van de generische stad. De capsule
is een toestel dat een artificiële ambiente creëert, dat communicatie
met 'buiten' minimaliseert door een eigen tijdruimte, een afgesloten (artificieel)
'milieu' te vormen. Alle transportmiddelen zijn, dat is de oorsprong van
de metafoor, capsules: de trein, de auto, het vliegtuig, en uiteraard
de ruimtecapsule. Dat zijn reële capsules. Maar er zijn virtuele
capsules, zoals een scherm, een walkman en misschien is zelfs een boek
een capsule. Het oeroude en het hypermoderne komen altijd weer samen.
Er zijn macrocapsules, zoals gesloten gebouwen of gesloten zones, maar
ook microcapsules zoals mobilofoons. Maar ook de architectuur en zelfs
het urbanisme worden capsulair: de luchthaven, de mall, het themepark,
de gated community. De alomtegenwoordigheid van de schermen (televisieschermen,
computerschermen, maar ook de voorruiten van wagens werken, weten we van
Virilio, als screens) maakt deel uit van de 'capsulisering'. Men zou zover
kunnen gaan te zeggen dat elk scherm zijn eigen (al dan niet virtuele)
capsulaire tijdruimte creëert. De hype rond de mobiliteit, het netwerk,
de grenzeloosheid, de smoothness, functioneert op basis van die capsules.
Capsules zijn tegelijk ook simulatiemachines: zij genereren gesimuleerde
openbaarheid. Het schoolvoorbeeld is de televisie. Voor de architectuur
is het postmoderne atrium het prototype van capsulisering. Het is een
binnenin gesimuleerde buitenruimte, een verzegelde piazza . De capsule
schaft de openbaarheid af. Cocooning, de hypertrofie van de privésfeer,
is een symptoom van capsulering. De meeste capsules zijn serieprodukten
en dus wezenlijk generisch (zoals auto's). Maar ook de capsule-architectuur
tendeert naar het generische, of, wat soms nog erger is, naar een generische
originaliteit (catchy images, design). De capsule heeft, naast al haar
andere functies, een constant neveneffect dat haar politieke relevantie
en efficiëntie garandeert: ze induceert, in de termen van Mcluhan,
een specifiek soort verdoving (numbness). Capsule-architectuur is struisvogelpolitiek.
VI
In de capsule wordt het alledaagse opgezogen als in een vacuum cleaner:
Over zijn 'Universal City Walk', een exotische maar afgesloten stadspromenade
(aan het complex van Universal Film) met onder andere modellen van gebouwen
die elders in L.A. echt te zien zouden zijn als men er heen kon, schreef
ontwerper Jon Jerde: "The only things kept out of this simulation
are are real poverty, crime and unplanned spontaneity" . Waar angst
en fantasie samen artificiële biotopen construeren, wordt het dagelijkse
opgezogen. Zowel "de ecologie van de angst" (militarisering)
en van het geweld (door bronxificatie) enerzijds als "de ecologie
van de fantasie" (disneyficatie) anderzijds, verdringen op zeer efficiënte
manier het dagelijkse . Het dagelijkse is onbewust. Zodra een bepaalde
nadrukkelijkheid ontstaat (door controle en/of door simulatie), verdwijnt
het. Dat verklaart de onwezenlijke sfeer van malls, themaparken, luchthavens.
En het werkt: geen unplanned spontaneity in Disneyland. Je ziet er nauwelijks
vormen van uitbundigheid, alleen het geplande, kortstondig gejoel na de
ride, dat dan weer heel snel verstomt in de eindeloze rijen van gedisciplineerde
wachtenden. Die spontane blijdschap lijkt alleen te bestaan op de reclamespots.
En in het gegesticuleer van de optochten van Disneyfiguren. Maar een parade
is altijd gemodeleerd naar de militaire parade. Disneyland is evenzeer
een disciplineringsmachine als een amusementsmachine . En alles, werkelijk
alles is er generisch. Het pretpark (en ook de stad als themapark) is
een gecontroleerde, gesloten, generische zone. Derhalve is het alledaagse
wellicht geen uitweg, geen alternatief om de extremen van militarisering
en disneyficatie te minimaliseren, en zo te normaliseren.
VII
"(...) nous devons nous attendre non seulement à de nouveaux
camps,
mais aussi à des définitions normatives de l'inscription
de la vie dans la cité plus neuves et plus délirantes.
Le camp qui est maintenant solidement installé en elle est le nouveau
nomos biopolitique de la planète"
Giorgio Agamben
Wanneer we de geschiedenis van de stad in vogelvlucht overschouwen, dan
verschijnt eerst een burcht in een landschap. Wie in de burg(t) woonde,
was burger. (Of anders gezegd: wie in de ‘bourg’ woonde, was
bourgeois). De burgerlijke stad is echter snel, onder druk van de moderniteit
(zeg maar onder druk van het kapitalisme met zijn industriële en
demografische groei) uit haar voegen gebarsten, en dus uit haar muren.
Het bolwerk werd boulevard. De heirbanen van de Romeinen werden terug
opgevist en bijgestuurd tot wat weldra het netwerk van steenwegen en even
later autosnelwegen, en nog later het Netwerk zonder meer zou worden.
Maar het bolwerk bleef bestaan: de nationale grenzen. Omdat het kapitalisme
beweert dat het niet goed functioneert met grenzen, heeft men steeds grotere
gehelen zonder binnengrenzen gemaakt en men is die nog steeds aan het
maken: de fameuze global village. Voorlopig blijft er echter één
gigantische wal overeind. Hij is meestal onzichtbaar, en wij, burgers,
hebben er geen last van. We kunnen ongehinderd vrij binnen en buiten (nu
ja ongehinderd, na controle natuurlijk - de stadspoorten van vroeger zijn
meer en meer vervangen door de gates van luchthavens). Maar de niet-burgers
hebben er wel last van. Soms is de muur, de wal (wall) zichtbaar in al
zijn obsceniteit: aan de grens tussen de Verenigde Staten en Mexico loopt
een prikkeldraad, ook de Spaanse enclaves op Marokkaans grondgebied worden
nu, op dit eigenste moment, met prikkeldraad afgezet. De New World Order
heeft zijn eigen ijzeren gordijn: hij scheidt het Noorden van het Zuiden,
Atlantic Megalocity van het onherbergzame buiten. Fortress Europe is geen
beeldspraak: Europa is een burcht met muren en water errond. En die muur
loopt in elk land van Europa door. In België bijvoorbeeld is het
de prikkeldraad rond Steenokkerzeel (het kamp heet 127bis). Wie zich aan
de andere kant van de muur bevindt, heeft geen rechten, want er bestaan
alleen “rechten van de mens en van de burger”. Er is geen
de jure voor mensenrechten: de mensenrechten zijn geen wetten. Wie geen
burger is (dus wie buiten de burcht woont), is in feite rechteloos. Dat
wil zeggen: elke behandeling kan hem of haar te beurt vallen.
In het licht van de generische stad als stad zonder centrum, krijgt de
uitspraak in CIAM's 'A Short outline of the core' uit 1951 een profetische
bijklank: "If new towns are built without a core they will never
become more than camps" . Is de evacuatie van de publieke ruimte
en de trance, de kalmte van de generische stad waarover Koolhaas spreekt,
samen te denken met het kamp als paradigma? Volgens de Italiaanse filosoof
Giogio Agamben kennelijk wel. Volgens hem vallen steeds meer mensen uit
het statuut van het maatschappelijke leven (bios) in het statuut van het
loutere leven (zoé). Dit loutere leven is vogelvrij. En dus rechteloos.
Het wordt bestuurd volgens de kamplogica. Het kamp is geen gevangenis,
geen legale instelling, maar een territorium buiten de wet, een enclave
in en vooral buiten de maatschappij, een extra-territoriale instulping,
waar geen wetten gelden. En waar derhalve alles kan gebeuren, zelfs het
meest onvoorstelbare, niet zozeer wegens de menselijke wreedheid of de
barbaarsheid van een ideologische indoctrinatie, maar door de juridische
structuur van het kamp zelf. Ook transitzones zijn extraterritoriaal (en
daarom taksvrij). 'Gesloten opvangcentra voor azielzoekers' zijn potentiële
kampen. Maar ook getto's en containment zones, zoals Skid Row in L.A.,
beginnen op kampen te lijken . Misschien heeft Agamben het, ondanks de
schijn van schromelijke overdrijving, bij het rechte eind met zijn stelling:
het concentratiekamp is het paradigma van de hedendaagse biopolitiek,
niet de stad . Het expanderende vluchtelingenprobleem is op geopolitieke
schaal het enige argument voor de aanname dat de in transit condition
universeel wordt. De vraag waarvan Koolhaas vertrekt, moeten we wel degelijk
ernstig nemen: hoe ziet de stad eruit die op een luchthaven begint te
lijken? Wanneer men de luchthaven in zijn totaliteit neemt, dat wil zeggen
niet alleen met zijn lobby’s en lounges, zijn cateringdiensten,
cargofirma's en touroperators, maar ook met de transitkampen die erbij
horen, dan krijgt men het ware gezicht van de generische stad te zien
.
VIII
"We do indeed now live in fortress cities brutally devided into 'fortified
cells' of affluence
and 'places of terror' where police batlle criminalized poor".
Mike Davis
De gated communities en de detentiekampen voor illegalen spiegelen elkaar.
De tegenhanger van de burcht is het kamp. Het ene is een uitsluitingsmachine,
het andere een insluitingsmachine. Zo verhouden zich ook de toeristenzone
en het getto, de City walk en de containment zone. Of nog: geen mall zonder
wall. De hype rond de ontgrenzing is schijn. Het world wide web, de mobiliteit
en de communcatie-explosie is recht evenredig aan de capsularisering.
Het ene is niet denkbaar zonder het andere. De fameuze globalisering is
tegelijk een herterritorialisering. Het transcendentaal kapitalisme kan
niet functioneren zonder kampen en capsules, omdat het nog steeds berust
op de accumulatie van kapitaal op basis van een ongelijke ruil tussen
centrum en periferie, en omdat die tegenstelling op dit ogenblik misschien
scherper is dan ooit. Of duidelijker: onze maatschappij kan niet zonder
prikkeldraad. Het nieuwe ijzeren gordijn in Ceuta en Melilla, mede gesubsidieerd
door de Europese gemeenschap, bewijst het. Een krantenbericht van half
augustus 1998: "Spanje wil zijn nieuwste verdedigingsgordel tegen
de stormloop van Afrikaanse immigranten vervroegd in gebruik nemen. De
grensversperring rond de enclavesteden Melilla en Ceuta op de Noordkust
van Marokko, waarvan de bouw in maart begon, 'moet reeds in oktober ondoordringbaar
zijn', bevestigden officiële woordvoerders woensdag. De dubbele gordel
van staal en prikkeldraad bij Melilla, die nu al de bijnaam 'Berlijnse
Muur' draagt, wordt over een lengte van 12 kilometer uitgerust met 70
camera's; lichtmasten, sensoren en wachtposten. Bij Ceuta is er een soortgelijke
muur in aanbouw (...) De Spaanse grenspolitie is zich bewust dat de nieuwe
verdedigingsgordels er alleen toe zullen leiden dat de immigratie andere
omwegen zal zoeken. (...) Dit is een grote inkomstenbron voor de Marokkaanse
en Spaanse maffia's, die hen voor 40 tot 80. 000 frank over de Straat
van Gibraltar vervoeren in gammele bootjes. Regelmatig vergaan ze op zee
(...) en spoelen er weer lijken van verdronken immigranten aan op de stranden.
Zo zouden naar schatting dit jaar al bijna duizend illegalen de dood hebben
gevonden."
IX
Ooit zal een historicus uit de verre toekomst ons tijdperk behandelen
als een van de obsceenste uit de wereldgeschiedenis: De capsulaire beschaving.
Waarom? Omdat de stand van de technologie en de productie schrijnender
dan ooit afsteekt tegen de systematische, nietsontziende uitsluiting van
het grootste, steeds grotere deel van de mensheid. Het is een verpletterend
besef. ‘We wisten het niet', zullen we zeggen tot de historicus
uit de toekomst, maar hij zal ons veroordelen.
|